Eens in de maand ga ik voor deze rubriek met de ogen dicht voor mijn poëziekast staan om daar een willekeurige bundel uit te nemen. Deze keer is dat De schaamsoort van Paul Demets (Poëziecentrum, Gent, 2024), waaruit ik bladzijde 75 opensloeg:
Er waren de kauwen die met okkernoten gooiden
op het terras. Op de tegels roffelden schedeltjes
springlevend. De stokroos hield zich staand,
zevenblad kreeg vaste voet. Ik probeerde
de woekering te vatten. De koekoek herhaalde
onverschillig zijn onomatopee. Zo kondigde de regen
zich aan. Wat ik haar voorlas, leek vergeefs
nog te verzamelen voor een nest.
Vanuit vogelperspectief had ik het moeten bekijken:
eromheen draaien
de kringredenering, haar woede daarom
en voor het vallen
de adem in.
