Ik kan me
nog goed herinneren hoe spannend ik het als kleine jongen in de Roxy, de
bioscoop waarin mijn vader beatae memoriae een kwart eeuw films projecteerde,
vond als het doek openging. Het dóek, ja. Dat was er toen nog. Moest daaraan
denken bij het lezen van een beschouwinkje van W.F. Hermans die het doek
analyseert als een erfenis uit de tijd dat een bioscoop nog filmtheater heette:
‘In schouwburg of opera gaat het doek niet open zonder de toeschouwers met een
verrassing te verblijden of te verbluffen. Dit is de zin van het gordijn.
Maar iedereen weet wat er achter het gordijn van de bioscoop (alle gordijnen
van alle bioscopen) schuilgaat: een witte lap.’ Tegenwoordig zie je in
filmzalen direct het scherm. De gordijnen zijn gaandeweg, ik ben me de
verdwijning ervan niet bewust geweest, stilletjes naar het verleden
gedirigeerd. Deze verdwijning wettigt het vermoeden dat Hermans haar toe zou
hebben gejuicht.
Bloemlezing – de 44 beste gedichten van de Herman de Coninckprijs 2026.
33 minuten geleden
