Eens in de maand ga ik voor deze rubriek met de ogen dicht voor mijn poëziekast staan om daar een willekeurige bundel uit te nemen. Deze keer is dat Verzamelde gedichten van Hans Faverey (De Bezige Bij, Amsterdam, 2000), waaruit ik bladzijde 257 opensloeg met daarop:
Op de flank, de helling
zijn heuvel, de bijna berg
al: daar men zou thuishoren.
In het eigenste vreemdgaande.
De dode plek te achterhalen.
O zo traag zich terugkaatsend.
