Eens in de maand ga ik voor deze rubriek met de ogen dicht voor mijn poëziekast staan om daar een willekeurige bundel uit te nemen. Deze keer is dat Kassandra van Adriaan De Roover (Mens en Muze 3, Uitgeverij De Brug, Antwerpen, 1948), waaruit ik bladzijde 21 met daarop Judas opensloeg:
Toch suist de wind nog om vergeven.
Zie, hoe God een traan verpinkt,
Wijl hij daar akelig hangt te zweven.
